Discoursen, macht en mensen
Een blik op de wereld is nooit neutraal, en niet iedereen heeft dezelfde ruimte om te spreken en te bepalen wat er gezegd wordt. Daarmee is de constructie van betekenis en waarheid dus altijd geladen met de wijze waarop we de dingen met elkaar doen; ze zijn met elkaar verstrengeld en om ethiek te bedrijven en te werken met verhalen zul je je daarvan steeds opnieuw rekenschap moeten geven. Je moet jezelf en de ander vragen blijven stellen over wat er gaande is, wie er mag spreken en wat er gezegd mag worden. Welke waarheden gelden er in een bepaalde situatie? En wie heeft daar het recht om te spreken?
Of meer concreet:
Heeft een inwoner de ruimte om met de overheid te communiceren in zijn eigen woorden? Of begrijpt de overheid hem alleen wanneer hij zich de termen eigen maakt die de overheid heeft bedacht? Wat betekent dat wanneer we vanuit de overheid proberen te begrijpen op welke manier we dingen te ingewikkeld hebben gemaakt? Kunnen we het ervaringsverhaal van deze inwoner dan wel écht horen? Kunnen we wel snappen wat iemand dan tegen ons zegt?
Als we in het discours van fraude en wantrouwen zitten, hoe luisteren we dan naar het verhaal van iemand die staat aangemerkt als fraudeur maar zelf zegt dat dat niet klopt? Hoe schrijven we de geschiedenis van het toeslagenschandaal? Welke dingen laten we weg, en welke geven we extra aandacht?
Kun je als ambtenaar alles opschrijven als advies voor de minister, of zijn er ergens in ‘de lijn’ mensen die ‘de minister uit de wind willen houden’. Kun je als ambtenaar dan nog werkelijk zeggen wat gezegd moet worden? Kun je dan nog terecht met de verhalen over waar het fout gaat in de organisatie? Of mogen die verhalen niet verteld worden omdat de minister het dan lastig kan krijgen? En wie bepaalt dan wanneer de minister het lastig gaat krijgen, of juist doet waarvoor ze aangesteld is?
Als we iets benoemen als psychische stoornis, welke consequentie heeft dat dan voor wat er gezegd mag worden en wie er mag spreken? Mogen de mensen die deze stoornis hebben zelf ook nog meepraten over wie zij zijn? Zijn er dingen waar we geen woorden aan mogen geven? Luisteren we eerder naar artsen of kunnen we hetzelfde gewicht toekennen aan de mensen die de diagnose hebben gekregen?
Als we in het discours zitten van New Public Management, waarin efficiency en doelmatigheid centraal staat, hoe kijken we dan aan tegen oproepen om te vertragen en te reflecteren?
Als we in techno-optimisme zitten, wat doet dat met de verhalen die we horen over de voor- en nadelen van AI? En welke verhalen horen we dan misschien niet?
Discours Theorie – de geboorte van de gevangenis
In het vorige artikel schreef ik over hoe betekenisgeving en interpretatie dialogisch tot stand komt, en dat we met elkaar een gedeelde grond nodig hebben om te kunnen begrijpen waar iemand over spreekt. Die gedeelde grond is net als een individuele blik op de wereld niet neutraal, maar juist doorspekt van (niet-uitgesproken) regels over wat kan en mag. Daar is ook macht mee gemoeid: niet iedereen kan en mag overal over spreken, en er wordt niet naar iedereen in dezelfde mate geluisterd. Toch zou het ook te ver gaan om te zeggen dat een enkeling of een groep mensen alle macht heeft, en alles mag bepalen. De macht ligt eigenlijk ergens tussen de mensen in, waar die regels de dienst uitmaken. Hoe zit dat? En hoe kunnen we daar over denken op zo’n manier dat we én bewust blijven van de ongrijpbaarheid van die macht, maar ook durven benoemen dat macht een rol speelt en dat die macht niet gelijk verdeeld is in de wereld?

Om dat te doen kunnen we kijken naar de discours theorie. Discours theorie komt van de Franse, twintigste-eeuwse filosoof Michel Foucault. Nu was hij zeker niet de eerste die het woord gebruikte en de kans is dus groot dat je het woord ‘discours’ wel eens voorbij ziet komen, en dat er dan soms iets anders mee bedoeld wordt dan wat Foucault bedoelde. Foucaults werk gaat vooral over macht en kennis, en een belangrijke notie daaruit voor dit artikel is de vraag wie er mag spreken en wat er gezegd mag worden. Maar voordat dat relevant wordt moeten we eerst goed kijken naar wat hij dan precies bedoelt met een discours.
Een discours, in de theorie van Foucault, kun je beschrijven als een systeem van gedachten, ideeën, overtuigingen, gebruiken en passende handelingen (passend bij dat denken en die ideeën etc.) waardoor betekenis geproduceerd wordt. Dat is niet iets waar een enkeling verantwoordelijk voor is; zo’n discours is een sociaal construct waarin we met z’n allen aan meedoen, zelfs als je dat niet wil. Een discours is net zoveel ‘van ons’ als dat het ‘over ons’ gaat. Foucault onderzocht bijvoorbeeld hoe ‘de gevangenis’ ontstaan is, en hoe straf door de tijd heen zich vormde van marteling (vierendelen e.d.) naar straffen (dwangarbeid) naar discipline (gevangenisstraf). Vervolgens liet hij zien dat het idee van een gevangenis als institutie past in een geheel van instituties en mensen (rechters, cipiers, advocaten, politici, gedetineerden, ambtenaren etc.) en hoe deze mensen en instituties denken, praten en handelen rondom gevangenissen, en alle systemen die daarbij horen (de rechtspraak, de journalistiek, de politie etc.). Dat denken, praten en handelen kun je zien als het discours: een manier van doen over een bepaald onderwerp op een bepaald moment in de tijd. Door daarnaar te kijken kun je zien hoe machtsrelaties verlopen: als eerste stap kun je bijvoorbeeld de vraag stellen wie de macht heeft over wie. Dat is een zinvolle vraag, maar niet de enige die je kunt of zou moeten stellen volgens Foucault. Hij stelt dat macht meer is dan dat: de macht ligt niet bij een enkel persoon, een groep, een institutie of zelfs een samenhang van al het voorgaande, maar de macht ligt in het discours van de gevangenis zelf. Dat klinkt misschien wat vreemd, want hoe kan macht ergens liggen waar het niet in handen is van iemand. Wat is die macht dan en hoe kun je daar dan over denken volgens Foucault?
Ongrijpbare macht
Zo’n discours in Foucaultiaanse termen verleent macht aan mensen, en het reflecteert tegelijkertijd dat er macht speelt. Bijvoorbeeld zo’n cipier: die kan alleen maar bestaan bij de gratie van het feit dat er zoiets is als een gevangenis, en je ziet door het bestaan van de cipier en diens verhouding tot de gedetineerden dat er sprake is van macht. De cipier heeft dus een machtsrelatie tot de gedetineerde, en tegelijkertijd is die macht voorwaardelijk aan het discours: als de gevangenis niet bestond zouden ‘cipier’ en ‘gedetineerde’ niet bestaan. Nog een stapje verder: diezelfde cipier kan niet zomaar alles doen, in diens rol. Er zijn ideeën, uitingen en gedragingen die horen bij wat een cipier is. Als hij daar heel sterk van afwijkt wordt hem de macht ontnomen. Hij heeft dus macht, maar moet zich ook aan iets onderwerpen: dat wat het is om een cipier te zijn. Wat dat is bepaalt hij niet, dat is zo’n sociaal construct waar we met z’n allen aan meedoen. Het discours, en de losse elementen daarbinnen houden elkaar als het ware in stand zonder dat een enkeling zoals onze cipier daar heel veel invloed op heeft.
Een discours op die manier bezien bepaalt dus in hele hoge mate wat er gezegd mag worden (waarover praten we eigenlijk, en hoe doen we dat?) En ook wie er mag spreken (welke mensen hebben er macht binnen het discours?) Denk aan een rechter die een strafmaat bepaalt, en uitmaakt wie de gevangenis in moet en wie TBS krijgt. Of hoe een politicus kan spreken over ‘zwaardere straffen’. Wat zo’n politicus zegt is alleen te begrijpen in het discours van de gevangenis, ook al probeert de politicus in kwestie weerstand te leveren tegen delen van het discours. Weerstand hoort altijd bij een discours, volgens Foucault. Immers, waar machtsrelaties spelen is ook altijd weerstand tegen die macht. Die weerstand kan verschillende vormen aannemen, maar om gehoord te worden moet je je toch blijven verhouden tot het denken, praten en handelen zoals dat binnen het discours gewoon is. Ga je te ver, dan luistert niemand meer naar je.
Weerstand
Die politicus uit het voorbeeld hierboven kan wel uitspraken te doen over strengere straffen, maar wanneer diezelfde politicus zou gaan praten over vierendelen of dwangarbeid aan een ketting in de mijnen, dan zouden we zeggen dat ze te ver gaat en haar niet meer serieus nemen. Je zult misschien herkennen dat het discours in de Verenigde Staten is alweer anders is dan het onze: de doodstraf is daar een normaal onderdeel van het discours, ook al is er weerstand tegen de toepassing (en zijn er ook mensen die vinden dat het veel vaker toegepast moet worden).
Een ander voorbeeld van weerstand op een discours uit de recente geschiedenis is de verschuiving in het denken over Zwarte Piet. In een artikel op historiek.net laten schrijvers Jop Euwijk en Frank Rensen zien dat kritiek op Zwarte Piet niet pas in 2011 begon, maar dat in 1927 al de eerste klachten terug te vinden zijn. Hoewel die klachten door de dienstdoende rechters werden begrepen was de tijd blijkbaar niet rijp voor een fundamentele verandering. Dat gebeurde pas later, toen ook begrippen als racisme en discriminatie breder begrepen werden, er meer aandacht was voor gelijkheid en de kritiek ook maatschappelijk gehoord kon worden: het discours is veranderd. Dat wil niet zeggen dat die verandering zonder moeite ging (of gaat), natuurlijk. Veeleer dat, net als de politicus niet zomaar kan gaan praten over vierendelen, de kritiek op Zwarte Piet ook hier aansluiting moest vinden bij het denken, praten en handelen zoals gewoon is in het discours. Daarbij kun je vaak zien dat de verandering van een discours ook gepaard gaat met mensen die binnen dat discours meer spreekrecht hebben dan anderen. Bij Zwarte Piet was het moment dat Erik van Muiswinkel zich voor het eerst uitsprak een belangrijk moment bijvoorbeeld: hij had als langstzittende Hoofdpiet en als bekende Nederlander veel invloed op het debat, ook al waren er mensen als Quincy Gario die zich veel langer al uitspraken tegen Zwarte Piet. Dat kan natuurlijk ook een bron van frustratie zijn: waarom krijgt zo’n witte man die pas veel later tot inzicht komt zoveel aandacht en is er voor de zwarte mensen die hier al lang mee bezig waren en opriepen tot verandering nauwelijks waardering?
Van kennis, waarheid en macht: het discours van homoseksualiteit
Voor Foucault is macht samengebonden met kennis en met waarheid; dat zie je in de voorbeelden hierboven al terug: kennis over wat Zwarte Piet is ontwikkelt zich. De landkaarten in de Verenigde Staten veranderen. Een Secretaris-generaal kan het klimaatbeleid of de situatie in Gaza niet zomaar publiekelijk duiden, of er een persoonlijke positie over innemen. De woorden van mensen met discursieve macht doen ertoe.

Het is de moeite waard daar verder naar te kijken met een voorbeeld uit de recente geschiedenis: het discours rondom homoseksualiteit, en de kennisontwikkeling daaromtrent in het Westerse denken. Wist je bijvoorbeeld dat homoseksualiteit voor 1868 niet eens bestond? Er was geen woord voor. Het woord dat er wel was: sodomie. Nu kun je dat woord niet beschouwen als hetzelfde als homoseksualiteit en ook niet los zien van Christelijk gedachtegoed. Sodomietenvervolging was de vervolging van homo’s door de Kerk, en in de Bijbel staan diverse verwijzingen naar de zondige aard van geslachtsgemeenschap tussen mannen. Vanaf 1868 bestaat die term ‘homoseksualiteit’ ineens wel (Foucault vroeg zich af: hoe komt dat woord daar?) en begonnen artsen, met name psychiaters, zich bezig te houden met wat het dan was. Zo werd homoseksualiteit van een zonde een ziekte. Eerst waren het dus Christenen die mochten bepalen wat mensen waren die sodomie pleegden (misdadigers, zondaars), en daarna werden het psychiaters, en werden homo’s zieke mensen met een neurotische aandoening. Die psychiaters borduurden voort op de Christelijke moraaltheorie in hun denken over wat normaal en abnormaal gedrag was. Heteroseksualiteit is de norm, de afwijking is homoseksualiteit (en biseksualiteit enz..)
Een belangrijk werk van Foucault is De Geschiedenis van Seksualiteit, waarin hij stelt dat het hele concept ‘seksualiteit’ een vrij recente Westerse uitvinding is. Een discours waarbij dingen ‘normaal’ zijn, en ook niet-normaal; die dingen krijgen dan het label ‘pervers’. Voor wie interesse heeft in het onderwerp is dit boek een absolute aanrader. |
Zo ontstond de term ‘homoseksualiteit’ en ontwikkelde zich een werkveld in de medische wetenschap: men ging kennis ontwikkelen over wat het was, hoe het ontstond en hoe je ervan kon genezen. Net als het zondige ‘sodomie’ had ook de ziekte ‘homoseksualiteit’ veel onrecht tot gevolg: er verschenen theorieën over de oorzaken van homoseksualiteit, bijvoorbeeld genetische degeneratie of psychische pathologie, en er werden behandelingen ontwikkeld zoals elektrische schoktherapie en castratie om te genezen van de homoseksuele neigingen. En de homoseksuelen zelf? Die hadden geen recht van spreken in het discours. Wie luistert er naar iemand die een psychische stoornis heeft, zeker als je ook kunt luisteren naar een arts die zijn hele leven al werkt aan de pathologie van homoseksualiteit? Anders gezegd: homo’s hadden geen discursieve macht, psychiaters en andere artsen wel. Dat had niet alleen effect in de medische wereld, maar op de hele sociale omgeving: homo’s konden nergens in het publieke leven echt zichzelf zijn, want dat zou betekenen dat ze die medische molen in moesten, en bovendien komt het hebben van een psychische stoornis met allerlei stigma’s waarmee anderen uitsluiting en soms zelfs geweld rechtvaardigen.
Dat wil natuurlijk niet zeggen dat onmiddellijke gelijkheid met heteroseksualiteit het geval was, en dat de rest van de maatschappij gelijk meebewoog met de nieuwe opvattingen in de medische wereld. Als voorbeeld: een excuus van de psychiatrische wereld volgde pas onlangs. Zie ook dit stuk van de NOS. |
Een discours heeft dus een inhoudelijk component (WAT er gezegd mag worden, hoe kennis over een bepaald onderwerp tot stand komt etc.) en een sociaal component (WIE er mag spreken en hoe dat doorwerkt in de hele sociale structuur). Via die constructie komt betekenis tot stand en wordt andere betekenis gediskwalificeerd. In bovenstaand voorbeeld: homoseksualiteit is een ziekte, en niets anders. Pas na een heel lange strijd van de homo-emancipatiebeweging is dat discours verschoven, is homoseksualiteit niet langer als geestesziekte gekwalificeerd. Ook in dit discours bestond altijd al weerstand. COC Nederland had daar in Nederland een belangrijke rol in, en aan hun aanpak kun je goed zien hoe ze de dialoog met het heersende discours aangingen. Een paar voorbeelden: allereerst staat de afkorting voor Cultuur- en Ontspanningscentrum. Zo omzeilden ze het taboe op homoseksualiteit, en konden ze een veilige haven konden zijn voor homoseksuelen om samen te komen. Later bedacht het COC de term homofiel, om af te komen van de term homoseksueel en alle lading van ziekte en stoornis die daarmee gepaard ging. En ze kozen mensen met discursieve macht (zoals Gerard Reve) om het gesprek over de positie van homo’s verder te brengen.
Zo’n voorbeeld als homoseksualiteit-is-een-ziekte zegt ons veel over hoe kennis ontstaat en hoe waarheid tot stand komt. Volgens Foucault is waarheid altijd verbonden met macht; het zijn tenslotte degenen met de meeste discursieve macht die voor het grootste deel kunnen bepalen wat de waarheid is. Hij noemt waarheid een spel. Niet een spel in de entertainment zin van het woord, maar als een set met regels waardoor waarheid wordt geproduceerd. Een soort procedure waardoor je tot waar of niet waar komt. En ook dat komt weer met allerlei problemen: want wie maakt die regels, wie bepaalt de waarheid? Volgens Foucault zijn het mensen die een bepaalde consensus bereiken en dat doen binnen een netwerk van macht en beperkende instituties, bijvoorbeeld artsen (mensen met discursieve macht) in het instituut van de medische wetenschap over homoseksualiteit.
Waarheid en geschiedschrijving: het toeslagenschandaal
In de ambtelijke wereld zijn we niet verschoond van dit soort constructies van de waarheid. Denk aan het toeslagenschandaal: wie werden er in de afgelopen decennia door de Belastingdienst tot fraudeur bestempeld, en hoe kwam dat zo? Wie bepaalde wie er fraudeur was, en op basis waarvan? Welk ‘waarheidsspel’ gold hier?
De auteur van de Wikipediapagina van het schandaal omschrijft het zo:
“De toeslagenaffaire (ook bekend als toeslagenschandaal of kinderopvangtoeslagenaffaire) is een Nederlandse bestuurlijke en politieke affaire als gevolg van onterechte verdenkingen van fraude met toeslagen, een strikt terugvorderingsbeleid en een rigide uitvoering van wet- en regelgeving door bestuursorganen, deels op wens van een meerderheid van de volksvertegenwoordiging. Het ging om een samenspel van meerdere factoren, op verschillende niveaus, in politiek, bestuur, rechterlijke macht, pers en maatschappij, waarbij jarenlang de structurele corrigerende mechanismen van de democratische rechtsstaat onvoldoende functioneerden.”
De rest van de pagina leest als een reconstructie, waarbij boven alles duidelijk wordt dat er weliswaar sleutelfiguren waren en mensen met meer en minder discursieve macht, maar je het toch moeilijk zou hebben aan te wijzen hoe de waarheid hier precies tot stand kwam.
In zo’n geschiedschrijving zelf zie je ook terug wat belangrijk is in ons discours en wat niet. Als je die Wikipedia-pagina erbij pakt zie je dat de geschiedenis hier wordt geschreven via de politiek-bestuurlijke weg. Dat is voor ons de normale praktijk van geschiedenis opschrijven: we zijn gewend te kijken naar welke mensen met politiek-bestuurlijke macht een rol speelden, en we beschrijven politiek-bestuurlijke processen. Zo tekenen we de waarheid op. Echter, je kunt je afvragen waarom we deze geschiedenis niet beschrijven vanuit het perspectief van de inwoners van Nederland die getroffen werden, of door de lens van de pers en diens rol enzovoorts. De ‘waarheid’ wordt hier wel opgeschreven, maar is ook onderhevig aan een set met regels over hoe je de waarheid vastlegt. Daarbij blijven ook dingen buiten beeld. Dat wil niet zeggen dat waarheid als zodanig helemaal niet bestaat, natuurlijk. Het is echter wel belangrijk om ook na te denken over hoe waarheid tot stand komt, met welke methoden en welke set met regels we ertoe komen.
Een discours veranderen
Bij Dialoog & Ethiek hebben we het vaker over het werk van Foucault (zie bijvoorbeeld: Pool, Erik. Macht en Moed: Ambtelijk vakmanschap en de kunst van het tegenspreken. Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2021: p. 26). Precies omdat ons werk gaat over met elkaar spreken, en je er dan niet aan ontkomt te erkennen dat macht een rol speelt. Dat zien we in dialogen en bijeenkomsten die we organiseren bijvoorbeeld aan het heersende denken vanuit het discours van het New Public Management (NPM). Vanuit dat perspectief bezien interpreteer je de overheid als een soort bedrijf dat aan de slag moet met efficiëntie, financiële controle en het creëren van waar-voor-de-burger-z’n-geld. De burger wordt een klant, de overheid een bedrijf dat producten levert. Als je dan beoordeelt of de overheid de goede dingen doet en de dingen goed doet ga je al snel in de weer met BI-tools, financiële rapportages, benchmarks, audits en andere toetsingsinstrumenten uit het bedrijfsleven. Kenmerkend aan die instrumenten is dat ze vrijwel alleen antwoord geven op utilitaire vragen: is [het beleid] efficiënt? Wat levert het op? Hebben genoeg mensen er baat bij? Hoeveel geld kost het? Enzovoorts. Dat zijn geen onbelangrijke vragen, maar ze zijn wel eenzijdig. Ze gaan alleen over het uiteindelijke resultaat, en over wat het handelen van de overheid betekent voor het grootste aantal mensen. Terwijl er heel goed andere perspectieven mogelijk zijn. Die vragen stellen als: wat hebben we afgesproken? Hoe willen we dat de overheid voor inwoners zorgt? Als dit voor iedereen op dezelfde manier geldt, is het dan rechtvaardig? Welke waarden willen we nastreven met dit beleid? etc.
Als je die vragen gaat stellen krijg je heel andere antwoorden. Bij Dialoog & Ethiek proberen we juist die vragen te stellen, en anderen ook aan te zetten tot het stellen van vragen vanuit andere perspectieven. Dat levert namelijk een ander discours op: een waarin we meer perspectieven aan boord hebben, en daarmee een breder beeld van wat het goede is of zou kunnen zijn. Dat doen we zelf bijvoorbeeld door ons af en toe uit te spreken via de (social) media. Via die weg hebben we zelf in de loop der tijd discursieve macht gekregen, bijvoorbeeld waar het gaat om morele vragen die leven bij ambtenaren, hoe je zulke vragen met elkaar kunt onderzoeken, en wat je vervolgens te doen staat. We proberen het discours op die manier langzaam te veranderen, van het NMP discours naar een waarbij meer perspectieven in beeld komen.
Misschien herken je in je eigen werk of organisatie ook bepaalde elementen van een discours, en van deze gedachten rondom macht, kennis en waarheid? Bepaalde woorden die je moet gebruiken om iets op te schrijven bijvoorbeeld, of wat je wel en niet kunt zeggen in een vergadering of in een team? Bepaalde manieren waarop je nadenkt over de opgave waar je aan werkt, en waarheden die daarbij horen? Mag je in jouw organisatie het woord ‘burger’ nog gebruiken, of is het de bedoeling dat je over inwoners praat? Wie bepaalt wanneer iemand ‘kwetsbaar’ is? Hoe ziet het eruit als je in jouw opgave goed hebt samengewerkt? Worden bepaalde mensen vaak op een podium gezet om te spreken? Dat laatste hoeft natuurlijk niet te betekenen dat deze mensen niets interessants te zeggen hebben; het betekent dat zij vooral veel spreekrecht hebben ten opzichte van anderen. Het zijn mensen die bepaalde mate van discursieve macht genieten, en daarmee meer invloed hebben op wat de waarheid is binnen een discours. Ook in het werken met verhalen is dat belangrijk; in ieder verhaal zit een keuze over wat wel en niet in beeld komt. Degene die het verhaal vertelt is een soort curator van kennis en waarheid. Daar wil ik hieronder nog verder op inzoomen.
Werken met verhalen - curator spelen
In het werken met verhalen heb je ook te maken met discursieve macht. Theatermaker en cabaretier Micha Wertheim praat daarover in zijn voorstelling Nergens Anders; ten overstaan van het publiek vertelt hij dat zijn reden om in het theater te staan altijd was dat verhalen verbindend zijn, en dat hij die verbinding zo belangrijk vindt. Maar dat hij zich nu afvraagt of verhalen wel verbindend zijn als hij daar als enkeling op een podium mag kiezen welk verhaal daar die avond gehoord wordt door al die mensen die komen kijken. Dat iemand misschien wel kan tegenwerpen dat hij dan ruimte kan maken voor een ander verhaal, maar dat de keuze daarvoor nog steeds bij hem ligt. Hij mag bepalen wiens verhaal erbij mag, welk verhaal verteld mag worden en daarmee ook wie er gewoon moet zitten en luisteren. De verteller bepaalt, net zoals de curator in het museum. En dat heeft grote consequenties, want vaak bepaalt een verteller het verhaal vanuit een dominant discours. Bij het optekenen van de geschiedenis zie je daardoor dat verhalen van vrouwen en etnische minderheden uit beeld blijven: wij kennen de geschiedenis aan de hand van mannelijke figuren met macht uit het westen. Terwijl er ook vrouwelijke figuren waren met macht, terwijl er ook belangrijke dingen gebeurden buiten het Westen en terwijl er veel meer mensen zijn die geen macht hadden en ‘gewone burgers’ waren in die geschiedenis. Hun verhalen blijven veelal buiten beeld.
In fictieve verhalen en in de kunstwereld kunnen we dat ook zien. Bijvoorbeeld die machtige mannen; die zijn vaak het handelende subject, terwijl vrouwen bekeken worden. Zij zijn in ons dominante discours het object. John Berger, schrijver en kunstcriticus benoemde dat als eerste in zijn boek Ways of Seeing (Penguin books, 1972: 47):
[…]Men act and women appear. Men look at women. Women watch themselves being looked at.
Dat zie je bijvoorbeeld terug in veel schilderijen die in musea hangen: mannen kijken naar buiten, stralen autoriteit uit en macht naar de buitenwereld (welk verhaal vertelt dat over mannen?). Vrouwen worden bekeken: je ziet ze geobserveerd terwijl ze baden, kijkend naar zichzelf in een spiegel of als lonkend naakt kijkend naar degene die haar schilderde (en: wie haar beeltenis nu aanstaart in het museum). Dat discours wordt niet alleen gevormd door wie schildert, maar ook door wie mag kiezen welk schilderij wel in het museum komt en welk schilderij niet. Welk boek wel uitgegeven wordt en welk boek niet. Die uitgevers en curators bepalen dus wiens werken gezien en gelezen worden.
Wanneer je werkt met verhalen moet je je daarom bewust zijn van het feit dat discoursen een rol spelen, en dat er verschillende mensen (de schilder, de curator, de uitgever) en instituties (de uitgeversbranche, het museum etc.) daarbinnen bepalen of iets wel of niet gehoord wordt. Daar speel je zelf evengoed een rol in. Wie nodig je uit voor een sessie waarbij je verhalen centraal zet? En welke verhalen kies je dan uit om mee te werken? Het kan helpen om eerst even pas op de plaats te maken en te onderzoeken welk discours speelt in jouw vakgebied, zodat je ook aandacht kunt hebben voor de dingen die doorgaans niet gehoord worden in dat discours, en kritisch kunt blijven kijken of luisteren naar het verhaal dat je wel hoort. Vanuit welk perspectief komt dat? Zijn er andere perspectieven mogelijk? Het kan ook nuttig zijn je af te vragen wie er weerstand levert, en of je hun verhalen ook aan tafel kunt krijgen. Juist door dat bewustzijn, en het expliciet onderzoeken en uitnodigen van verschillende perspectieven kun je een gedegen beeld ontwikkelen van wat het goede is. En dat is tenslotte wat we proberen te doen wanneer we narratieve ethiek bedrijven.
Wil je verder lezen?
Om meer te leren over hoe Foucault denkt over kennis en macht is het volgende boek een mooi beginpunt: Michel Foucault, Power/Knowledge. Selected interviews and other writings 19-72-1977. Trans Colin Gordon et al., Pantheon Books, New York, 1981
Discipline, toezicht en straf - De geboorte van de gevangenis beschrijft hoe het karakter van de straf sinds de Middeleeuwen verschoof van de fysieke lijfstraf naar het straffen van de geest, met morele disciplinering als doel. Geschreven door Michel Foucault. Historische uitgeverij Groningen, 2018.
Michel Foucault, The Ethics of the Concern of Self as a Practice of Freedom in P. Rainbow (ed.) Michel Foucault, Ethics, Subjectivity and Truth (vol.1 pp 2381-302). New York: The New Press: p. 297
Door Winnie Hänschen